Na het bloedbad van 7 oktober was Israël nog aan het rouwen over de 1.200 vermoorde burgers en de ontvoerde jonge vrouwen, kleuters, en ouderen terwijl in de Verenigde Staten en in Europa vele campussen in actie schoten ter verdediging van Hamas. Opgehitst door een aantal activistische professoren, scandeerden studenten ‘From the river to the sea, Palestine shall be free’, of ‘Gas the Jews’. Sommige academici schreeuwen in hun academische taal uitdrukkingen voor Israël als een genocidaire staat, een koloniaal apartheidsregime en een land dat geen recht op bestaan heeft. Wie dergelijk land zou verdedigen verdient minachting en bespotting, voor sommigen verdienen zij zelfs de doodstraf.
Niet alleen Joodse ouders zijn bezorgd om in dit toxisch academisch klimaat hun kinderen naar de universiteit te sturen waar isolatie en sigmatizering hen te wachten kan staan. Studenten worden door activistische medestudenten onder druk gezet om Israël te veroordelen en de woorden van de professor te herhalen waarom Israël een door-en-door slecht land is. De dwang om de juiste opinie te uiten in plaats van tolerantie te bieden voor de vrijheid van gedachte wordt door de universiteiten geëxporteerd buiten de muren. Het is gekend dat universiteiten samenwerken met tijdschriften en TV kanalen en sommige narratieven promoveren terwijl andere worden geweerd. Het komt vlug tot een collectief geloof waarin diversiteit en de vrijheid van gedachte ontbreken en dissidente stemmen het zwijgen wordt opgelegd. Dit is het begin van het rot in de universiteiten van de Westerse wereld. Een hervorming van de universiteiten wordt onvermijdelijk met de vraag naar hun verantwoordelijkheden.
Wat we nu meemaken aan de universiteiten is zonder precedent in de naoorlogse periode. De slogans en argumenten van Hamas worden blindelings overgenomen door sommige academici en studenten zoals ook blijkt uit hun “Open Brief” van 15 januari 2025 gericht aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Conseil des rectrices et recteurs (Cref). Vergeten we niet dat Hamas op de terreurlijst staat van de Westerse landen en de Europese Unie. De universitaire besturen lijken passief toe te kijken hoe hun infrastructuur en werkingsmiddelen worden gebruikt om de Hamas agenda te bevorderen. En bij deze “Open Brief” zetten heel wat academici de universitaire besturen onder duk om samenwerking met de Israëlische universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen stop te zetten.
Laten we de argumenten van de 6.600 ondertekenaars bekijken.
De ondertekenaars spreken van een ‘aanhoudende genocide’ en de vele schendingen van het internationaal recht in Gaza. Zij geven geen enkel bewijs voor deze uiterst zware beschuldigingen maar verwijzen naar drie procedures voor het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof. In een zaak van december 2023, ingeleid amper enkele maanden na het aangerichte bloedbad door Hamas, vroeg Zuid-Afrika aan het Internationaal Gerechtsof om Israël te veroordelen wegens een genocide tegen het Palestijnse volk in Gaza. De eis van Zuid-Afrika is politiek gemotiveerd en heeft tot doel om Israël het recht op zelfverdediging te ontzeggen. Zuid-Afrika werkt duidelijk samen met Hamas die oproept tot de vernietiging van Israël. Bovendien, genocide vereist het doden van een bevolkingsgroep én de intentie om die te vernietigen. Die twee elementen zijn niet aangetoond. De ongefundeerde en politiek-geïnspireerde eis van Zuid-Afrika draagt bij tot het bagatelliseren van de zeer ernstige internationale misdaad van genocide.
Het Internationaal Strafhof heeft arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen de Israëlische premier Benjamin Netanyahu en zijn Defensieminister Yoav Gallant waarnaar wordt verwezen in de “Open Brief”. De beschuldigingen van de openbare aanklager Khan tegen de twee vermelde personen werden helemaal niet gestaafd. Er is geen gedwongen verhongering van de bevolking van Gaza gelet op de talrijke kollones van voedseltransporten per maand die Gaza bereiken en bevoorraden. De beschuldiging dat het Israëlische leger doelbewust burgerlijke doelwitten aanvalt is een valse beschuldiging. De terreurorganisatie Hamas heeft een uitgebreide militaire infrastructuur uitgebouwd in Gaza vanaf 2006. Het gaat om tunnels, commandoposten en militaire posities die doelbewust nabij of in civiele gebouwen zijn gebouwd zoals scholen, hospitalen en moskeeën. Dit op zich is een schending van het humanitaire recht door Hamas omdat een onderscheid tussen burgers en strijders moet gemaakt worden. Maar zelfs indien Hamas gebruik maakt van civiele gebouwen geeft dit geen recht op immuniteit van aanval volgens het humanitaire recht. Israël heeft steeds opnieuw voldoende waarschuwingen gegeven dat een aanval imminent is. Hamas heeft nooit gevolg gegeven aan de waarschuwingen en is blijven vechten vanuit burgerlijke locaties. Er is bijgevolg geen aanwijzing dat Israël moedwillig burgers heeft aangevallen. Integendeel, om de burgers te scheiden van de Hamasstrijders heeft Israël de burgers van Gaza naar bepaalde locaties gebracht buiten een actuele gevechtszone. De verwijzing van de “Open Brief” naar een ‘illegale bezetting’ van Palestijnse gebieden door Israël is geen onderdeel van het humanitaire recht en dit onderwerp rechtvaardigt niet de door Hamas begonnen oorlog op 7 oktober 2023.
Het is duidelijk dat de 6.600 ondertekenaars zich volledig beroepen op de uitspraken van de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof van de VN en het aan de VN verwante Internationaal Strafhof waarmee het een samenwerkingsverdrag heeft. Dit leidt ons onmiddellijk naar de Verenigde Naties zelf en haar invloed op de met haar verwante internationale rechtbanken en gespecialiseerde organisaties zoals de WHO of UNESCO of UNRWA. De Verenigde Naties van vandaag zijn niet dezelfde Verenigde Naties van 1946 wanneer het hoofdzakelijk de Westerse democratieën waren die de VN hebben opgericht. Vandaag zijn autocratieën en dictaturen de meerderheid van de VN-leden die een overweldigende invloed hebben in de Algemene Vergadering en in talloze commissies en andere organen. Tezamen produceren zij elk jaar honderden resoluties, rapporten en verklaringen tegen Israël. Het is zeer jammer dat sommige Westerse democratieën medewerking verlenen aan dit decennialange ritueel. Israël is immers het enige democratische land van het Midden-Oosten. Op een perverse wijze wordt het land beschuldigd van talloze schendingen van het internationaal recht terwijl de dictaturen van het Midden-Oosten een vrijgeleide krijgen en zelfs de instigator zijn van de vele anti-Israël resoluties binnen de VN. Die eenzijdige kijk op het Midden-Oosten met een obsessie voor Israël heeft de VN vorm gegeven zoals we de VN kennen in 2025. Het ondermijnt de bestuurlijke geloofwaardigheid van de Verenigde Naties, haar morele gegrondheid en die van haar talloze organen en verwante internationale rechtbanken.
Voor de toekomst is het van groot belang dat het internationaal recht niet in de handen valt van autocratieën en dictaturen, een proces dat nu in volle gang is, zoals op aangrijpende wijze is aangetoond in de Gaza-oorlog. Terwijl de dictaturen van de eerste helft van de twintigste eeuw uitsluitend een beroep deden op hun nationale recht, zien we nu de tegenovergestelde beweging waarin zij het internationaal recht claimen, vormgeven en gebruiken volgens hun politieke interpretatie. Na de Tweede Wereldoorlog creëerden de democratieën en de Westerse beschaving mondiale instellingen zoals de Verenigde Naties om ervoor te zorgen dat vrede, de rechtsstaat en gerechtigheid zouden zegevieren en een nieuwe fascistische barbarij zouden voorkomen. De mondiale instellingen waren sterk genoeg om totalitaire regimes een halve eeuw lang onder controle te houden. Nu worden ze bedreigd door de as van Rusland, China, Iran en hun vele handlangers, die een meerderheidsstem uitoefenen in de Verenigde Naties en VN-verbonden organisaties zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Deze wereldwijde club van autocratieën oefent sterke druk uit op de internationale rechtbanken die zij hielpen creëren en waarin zij zelfs rechters benoemen. Tijdens de Gaza-oorlog had de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA) personeelsleden op de loonlijst staan die betrokken waren bij de wreedheden van 7 oktober. Bovendien heeft Hamas $1 miljard dollar van de UNRWA weggesluisd om zijn terroristische leden te betalen en om tunneluitrusting en wapens te financieren. Zeven topfunctionarissen van de UNRWA worden voor een federale rechtbank in de Verenigde Staten aangeklaagd wegens deze ernstige schending van het internationaal recht. Tot nu toe weigeren de Verenigde Naties om Hamas als terroristische organisatie aan te wijzen.
Degenen die het goed bedoelen met het internationaal recht en de democratie moeten tegen deze stand van zaken strijden. De mondiale instellingen en hun rechtbanken beschermen niet langer de visie op vrede, de rechtsstaat en gerechtigheid van na de Tweede Wereldoorlog. Ze bedreigen en ondermijnen het.
De brief van de 6.600 begint met een bewering waarin een beroep wordt gedaan op het internationaal recht en de verplichtingen daaronder. Vervolgens richt de brief zich tot de rectoren met “diepe bezorgdheid en een dringende behoefte om onze maatschappelijke en juridische verantwoordelijkheden serieus te nemen.” Wie zou immers tegen het internationaal recht kunnen argumenteren? En wie zou het belang van het nakomen van maatschappelijke en juridische verantwoordelijkheden kunnen betwisten? Deze manier van formuleren creëert de illusie van een waterdichte beschuldiging en is zeer effectief.
Het misbruik van het internationaal recht, aangewakkerd door de voortdurende steun van de VN voor deze verdraaiing, heeft anti-Israëlische critici en demonstranten ertoe gebracht te geloven dat het internationaal recht niet aan de kant van Israël staat. De geschiedenis laat echter zien dat dit niet de eerste keer is dat er een poging is gedaan om een ogenschijnlijk legitieme aanval op het Joodse volk te construeren. Het gebruik van een verfijnde taal en een juridisch jargon rechtvaardigen dergelijke acties niet.
Zo werden Joden in de Middeleeuwen gedwongen deel te nemen aan geënsceneerde debatten tegen christenen, bedoeld om het publiek ervan te overtuigen dat Joden gedwongen bekeerd moesten worden, of erger. Meer recent, in Duitsland, een land dat er prat op ging voorop te lopen in filosofie en moraal, bedachten de nazi’s een pseudowetenschappelijke rassentheorie, gesteund door gerenommeerde professoren en wetenschappers, om onomstotelijk te ‘bewijzen’ dat Joden een inferieur ras waren.
Joden werden eeuwenlang beschuldigd van het vergiftigen van waterputten, het verspreiden van ziektes, stelen, liegen en zelfs het doden van God. In elk tijdperk werden Joden ervan beschuldigd de deugden te ondermijnen die de samenleving het hoogst achtte. Toen Jezus werd gezien als de deugd van die tijd, werden Joden ervan beschuldigd hem te hebben gedood. Toen ras werd verafgood als de ultieme deugd, werden Joden als “ondermenselijk” beschouwd. Nu mensenrechten volgens het internationaal recht onze morele standaard zijn, zou het geen verrassing moeten zijn dat Israël, de Joodse staat, ervan wordt beschuldigd deze te schenden.
Daarom is de werkelijke betekenis van deze beschuldiging voor de Joodse gemeenschap wereldwijd glashelder. Het is niets meer dan een voortzetting van de oude haat tegen het Joodse volk en de voortdurende pogingen om hen te demoniseren.
Om deze oude haat tegen te gaan, volgen hier enkele belangrijke elementen van de vergelijking, ondanks het feit dat ze hoogstwaarschijnlijk door onze tegenstanders zullen worden afgedaan als “Zionistische Hasbara”. Naast het beschuldigen van Joden van de ergste misdaden tegen de menselijkheid, is het doel ook om hen volledig het zwijgen op te leggen. “Joden zijn tenslotte leugenaars.” De beschuldigingen zijn echter vals en getuigen van kwade bedoelingen jegens de Joodse identiteit.
Politieke meningen kunnen verschillen en er kunnen verschillende perspectieven zijn over hoe dit conflict opgelost zou moeten of kunnen worden. Sommigen steunen de huidige Israëlische regering, terwijl anderen dat niet doen. De Belgische brief van een aantal academici gaat echter niet over politieke voorkeuren of voorgestelde oplossingen, maar over het recht, met name het internationaal recht. In juridische zaken zouden politieke meningen irrelevant moeten zijn. Het recht is het recht en deze moet in elk vergelijkbaar geval consistent en uniform worden toegepast. Internationaal recht is een waardevol concept, maar het is niet immuun voor rechtsmisbruik en manipulatie.
Schendt Israël werkelijk het internationaal recht?
Bezetting
In 1967, tijdens de Zesdaagse Oorlog, verwierf Israël de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook, de Golanhoogten en het Sinaï-schiereiland in een defensieve oorlog na aanvallen door Jordanië en Egypte. Resolutie 242 van de Veiligheidsraad van de VN was een staakt-het-vuren-resolutie die effectief een einde maakte aan de Zesdaagse Oorlog. De resolutie is erg kort en haastig opgesteld en riep niet op tot de oprichting van een Palestijnse staat.
De vele verklaringen van derden en erkenningen van een Palestijnse staat creëren echter geen staat. Volgens het internationaal recht kunnen grensgeschillen en de oprichting van een nieuwe staat niet worden opgelost door middel van verklaringen of voorgestelde plannen van welk derde land of internationale organisatie dan ook. De Verenigde Naties hebben veel verklaringen aangenomen in de vorm van resoluties en hebben zelfs in 1947 een verdelingsplan opgesteld voor het Brits mandaatgebied van Palestina. Het is slechts een plan geweest. Bovendien bepalen VN rapporten en resoluties geen grenzen van landen en nog minder de oprichting van landen, in casu de internationale grenzen van Israël.
De inlijving van Judea en Samaria – ook wel de Westelijke Jordaanoever genoemd – bij Israël is geen verwerving of annexatie van grondgebied, omdat de Onafhankelijkheidsverklaring van 14 mei 1948 door David Ben-Gurion, het hoofd van het Joodse Agentschap, verwees naar “Eretz-Yisrael” of “Het Land van Israël”. De uitdrukking betekent dat de uitkomst van de strijd om de controle over het land van het voormalige Britse mandaat, inclusief Judea, Samaria en de Gazastrook, de uiteindelijke grenzen van het land zou bepalen. Na het einde van het Britse mandaat van Palestina werd geen Palestijnse staat opgericht maar wel de staat Israël.
Jordanië erkende het principe van ontoelaatbaarheid van verwerving van grondgebied met betrekking tot Judea en Samaria toen dat land het Israëlisch-Jordaanse vredesverdrag van 1994 ondertekende. De bijlage (A) bepaalt de internationale grenzen tussen Jordanië en Israël bij de rivier de Jordaan.
De grenzen tussen Israël en Egypte werden vastgelegd in het Israëlisch-Egyptische vredesverdrag van 1997. Artikel II verklaart de permanente grens tussen Egypte en Israël als de erkende internationale grens tussen Egypte en het voormalige mandaatgebied Palestina … zonder afbreuk te doen aan de kwestie van de status van de Gazastrook. Israël trok zijn troepen terug naar de internationale grens van het voormalige Britse mandaatgebied Palestina, bleef er en bestuurde de Gazastrook tot 2006 omdat Egypte de Gazastrook niet als deel van Egypte beschouwde.
Judea, Samaria en de Gazastrook zijn noch een niemandsland noch een zogenaamde ‘Palestijnse staat’, ondanks politieke verklaringen of erkenningen. De twee verdragen tussen enerzijds Israël en anderzijds Jordanië en Egypte kwamen overeen dat Jordanië en Egypte geen titel of claim zouden hebben op enig deel van het voormalige Britse mandaatgebied.
Nederzettingen
Artikel 49(6) van de Vierde Conventie van Genève verbiedt het overbrengen van burgerbevolkingen naar bezet gebied. Er staat: “De bezettende macht mag geen delen van haar burgerbevolking deporteren of overbrengen naar het gebied dat zij bezet.”
Toch is de beschuldiging tegen Israël niet de gedwongen deportatie of transfer van Joodse burgers naar de Westelijke Jordaanoever. Als dat het geval was, zou men zich moeten afvragen: waar vindt deze deportatie plaats? Waar worden deze personen verzameld en op welke manier worden ze verplaatst naar het bezette gebied?
In feite komt het woord “nederzetting” nergens voor in het internationaal recht. De term “nederzetting” is slechts een letterlijke vertaling van het Hebreeuwse woord Yeshuv. Maar in een absurde verdraaiing worden Joodse Yeshuvim (of nederzettingen) beschouwd als een schending van het internationaal recht, terwijl geen enkel ander land ter wereld met soortgelijke beschuldiging te maken krijgt omdat zijn burgers zich kunnen vestigen op het grondgebied.
De valse beschuldiging over ‘nederzettingen’ klinkt gewoon beter dan de uitspraak: “We willen dat de Westelijke Jordaanoever Jodenvrij blijft totdat de Palestijnen het overnemen en het voor onbepaalde tijd Jodenvrij houden.” Maar zo’n uitspraak zou onmogelijk te rechtvaardigen zijn onder het internationaal recht.
Welk land is ooit gevraagd om een gebied vrij te houden van een bepaalde groep mensen?
Poetin wordt ervan beschuldigd de Krim te annexeren, maar hij werd er nooit van beschuldigd dat hij Russen toeliet zich daar te vestigen. Hetzelfde geldt voor de Turken die naar Noord-Cyprus verhuisden of de Armeniërs in Nagorno-Karabach. We hoorden over de annexatie van de Krim door Rusland en de bezetting van Noord-Cyprus door Turkije, maar heeft iemand ooit gehoord van “Russische nederzettingen op de Krim” of “Turkse nederzettingen op Noord-Cyprus” en hoe hun aanwezigheid het internationaal recht schendt?
Recht is niet echt recht indien de interpretatie ervan selectief wordt toegepast op één geval: Israël. Als het een echte regel van het internationaal recht is, moet deze in alle vergelijkbare situaties gelijk worden toegepast. Je kunt niet beweren dat artikel 49(6) van de Vierded Conventie van Genève alleen op Israël van toepassing is. Als juridische experts volhouden dat dit de juiste interpretatie is, dan zouden alle nederzettingen of bewoningskernen als illegaal moeten worden beschouwd onder het internationaal recht. Toch is dit niet het geval. Alleen Israëlische bewoning wordt als illegaal beschouwd wat bewijst dat het niet gaat om het internationaal recht maar om politieke doelstellingen. Er is redelijkerwijs geen juridische rechtvaardiging om Joden te beletten in Judea en Samaria te wonen. Artikel 49(6) verwijst enkel naar deportatie en overplaatsing van een bevolkingsgroep, niet naar nederzettingen of bewoningen. Deportatie en overplaatsing vereisen dwangmatige verandering van bewoning op een bepaald grondgebied.
De beschuldiging van apartheid volgt hetzelfde patroon van selectieve toepassing. Opnieuw wordt Israël beschuldigd van een van de meest afschuwelijke misdaden tegen de menselijkheid. Het is echter essentieel dat landen erkennen hoe een juridische norm uitsluitend op Israël wordt toegepast. Apartheid houdt per definitie de wettelijk afgedwongen segregatie van mensen in op basis van een raciale hiërarchie. In Zuid-Afrika werden onder de ‘Reservation of Separate Amenities Act’ van 1953 specifieke gebieden aangewezen voor verschillende rassen, waardoor aparte scholen, stranden, zwembaden en parken ontstonden.
Het spreekt voor zich dat er in Israël geen dergelijke wet bestaat. Israël handhaaft gelijke behandeling voor de wet voor al haar burgers en heeft haar democratische aard in alle sectoren van de samenleving aangetoond: van Arabische parlementariërs die in de Knesset dienen tot vrijheid van meningsuiting, van Arabische rechters die het Hooggerechtshof voorzitten tot Arabische atleten die Israël vertegenwoordigen in het nationale voetbalteam. Een opvallend voorbeeld is de voormalige Israëlische president Moshe Katsav, die door een Arabische rechter tot zeven jaar gevangenisstraf werd veroordeeld voor verkrachting, een uitkomst die ondenkbaar is in een echt apartheidssysteem.
Als we het antisemitisme even buiten beschouwing laten, zou je je kunnen afvragen: waarom zo’n extreme en ongefundeerde beschuldiging tegen Israël? Het antwoord is duidelijk. Het is een opzettelijk verkeerde voorstelling van de feiten, gericht op het volledig delegitimeren van Israël en zijn burgers. Wat is immers de verwachte reactie op een apartheidsregime, anders dan het ontmantelen ervan?
Genocide
Net als apartheid wordt de beschuldiging van genocide op afschuwelijke wijze toegepast op Israël, ondanks de gruwelijke conflicten wereldwijd die miljoenen levens hebben gekost en nog steeds kosten.
De oorlog in Gaza, die duizenden levens heeft geëist, wordt volledig aan Israël toegeschreven, ondanks de verschrikkelige Hamas-aanval van 7 oktober waarbij 1.200 mensen omkwamen en 251 burgers, waaronder kinderen, werden ontvoerd. Ondanks overweldigend bewijs van Hamas’ cynisch en verboden gebruik van civiele infrastructuur, blijft Israël het enige doelwit van beschuldigingen. Indien een oorlogvoerende partij civiele infrastructuur zoals ziekenhuizen of scholen gebruikt, wordt deze infrastructuur een legitiem militair doelwit volgens het humanitair recht. In dit geval ligt de verantwoordelijkheid voor burgerslachtoffers bij deze oorlogvoerende partij, in casu Hamas. We weten dat Hamas zoals Isis en Al Qaeda het internationaal recht niet erkent terwijl het humanitaire recht is deel is van het internationaal recht.
Naar schatting zijn er in totaal 51.600 doden in Gaza, verdeeld als volgt: 22.600 burgers, 20.000 strijders, 7.000 natuurlijke sterfgevallen en 2.000 doden veroorzaakt door Hamas. De verhouding burgers/strijders is bijna 1:1, terwijl de verhouding in andere conflicten 3:1 is (drie burgerslachtoffers voor elke strijder).
Israël heeft buitengewone maatregelen genomen om burgerslachtoffers te voorkomen en te minimaliseren, waaronder directe telefoontjes en sms-berichten om burgers te waarschuwen, het verspreiden van pamfletten en het uitvoeren van roof-knocking aanvallen als preventieve waarschuwingen. Dergelijke inspanningen passen niet in de definitie van genocide. Bovendien heeft Israël niet de intentie om genocide te plegen en een dergelijke intentie mag niet worden verondersteld omwille van politieke motieven.
Israël beschuldigen van genocide is geen juridische of feitelijke beoordeling maar een doelbewust politiek wapen om Israël onder druk te zetten en zijn recht op zelfverdediging te ontkennen. Het is een opzettelijke daad van demonisering, gericht op het ondermijnen van de legitimiteit van Israël en het opjutten van de wereldwijde opinie tegen het land.
De enige reden dat deze beschuldiging aanhang krijgt, is antisemitisme. Waarom zijn immers veel bloedigere conflicten, met exponentieel hogere dodentallen, nooit als genocide bestempeld of zelfs maar in overweging genomen?
Besluit
Net als elk ander land kan Israël bekritiseerd worden, hoewel demonisering een vijandige daad is tegenover de staat Israël en zijn burgers. Omwille van eerlijkheid en rechtvaardigheid moeten de normen en statistieken die op de Joodse staat worden toegepast dezelfde zijn als die welke op alle andere landen worden toegepast.
Het is volkomen aanvaardbaar om politieke voorkeuren en meningen te hebben. Het is echter altijd belangrijk om politieke meningen te onderscheiden van juridische normen en dat onderscheid duidelijk te maken.
Als de Verenigde Naties Israël zes keer meer veroordeelt dan alle andere landen bij elkaar, is het onmiskenbaar dat Israël eruit wordt gepikt. Als universiteitsprotesten alleen uitbreken als Israël erbij betrokken is, gaat het niet om het lot van de Palestijnen, maar om verzet tegen de Joodse staat. Als geen enkel ander land wordt beschuldigd van apartheid ondanks wijdverbreide systematische onderdrukking elders, gaat de beschuldiging niet over apartheid maar over het aanvallen van Israël. Als alleen Joden worden beschuldigd van een misdaad omdat ze op een bepaald gebied wonen, dan gaat het over een aanval op Joden. Als Israël wordt beschuldigd van genocide terwijl er geen bewezen intentie is om dit te doen en bloedigere conflicten worden genegeerd, dan is het motief opnieuw duidelijk.
Er is geen andere redelijke conclusie.